Sinead O'Connor

  • Sinéad Marie Bernadette O'Connor (Dublin, 8 december 1966) is een Iers singer-songwriter. Haar voornaam wordt uitgesproken als 'sji-neid'.

    Biografie

    O'Connor groeide op in Glenageary, een voorstadje van Dublin, als middelste van vijf kinderen. Ze was acht toen haar ouders na een moeizaam huwelijk gingen scheiden en het gezin daarbij in tweeën werd gesplitst. O'Connor bleef in eerste instantie bij haar moeder wonen, maar na vier jaar trok ze bij haar hertrouwde vader in.

    Op haar vijftiende werd O'Connor op een strenge tuchtschool geplaatst waar ze haar muzikale kwaliteiten ontwikkelde. Ze nam vervolgens een demo (Take My Hand) op met de formatie In Tua Nua maar werd te jong bevonden om hun zangeres te kunnen zijn.

    Een jaar later ging O'Connor naar een kostschool in Waterford waar de regels een stuk soepeler waren; met hulp van de leraar Iers nam ze er haar eerste demo op bestaande uit twee covers en twee eigen songs die later op haar debuutalbum kwamen te staan.

    Via een advertentie die ze in het muziekblad Hot Press had geplaatst maakte O'Connor in 1984 kennis met Columb Farrelly. Samen richtten ze de band Ton Ton Macoute op en verhuisden ze naar Dublin; O'Connor stopte met school om zich op haar zangcarrière te richten.

    Ton Ton Macoute leunde op thema's als hekserij, mystiek en wereldmuziek; de naam was ontleend aan de zombies uit de Haïtiaanse mythen. Hoewel O'Connor als het middelpunt van de band werd gezien stapte ze op nadat haar moeder op 10 februari 1985 bij een auto-ongeluk om het leven kwam.

    O'Connor is viermaal getrouwd geweest en ze heeft vier kinderen

    Carrière

    O'Connor verhuisde naar Londen en tekende op grond van haar credits met Ton Ton Macoute opgebouwde credits een contract bij Ensign Records; Fachtna O'Ceallaigh, voorheen werkzaam bij het platenlabel van U2, werd haar manager. O'Connor nam Heroine op voor de soundtrack van de film Captive; ze schreef dit nummer met U2-gitarist The Edge.

    Aangestoken door de kritische uitspraken van O'Ceallaigh over zijn werkgevers begon O'Connor zich vervolgens als pro-IRA en anti-U2 te profileren ; het nummer This Is A Rebel Song was een reactie op (de live-aankondiging van) Sunday Bloody Sunday.

    De opnamen van haar debuutalbum, waarvoor Mick Glossop werd ingeschakeld als producer, verliepen moeizaam door onenigheid over hoe het moest klinken. Dankzij de overtuigingskracht van O'Ceallaigh mocht O'Connor zelf haar album produceren.

    The Lion and the Cobra

    Eind 1987 verscheen The Lion and the Cobra; dit album werd lovend ontvangen en leverde de singles Troy, Mandinka en I Want Your Hands On Me (met rapster MC Lyte in de remix-versie) op.
    In 1989 nam ze een duet op met The The-frontman Matt Johnson (Kingdom of Rain) voor het album Mind Bomb.

    I Do Not Want

    O'Connor, nu met millimeterkapsel, begon aan haar tweede album te werken met o.a. de ex-Adam and the Ants muzikanten Marco Pirroni en Kevin Mooney. I Do Not Want What I Haven't Got verscheen begin 1990 en de single Nothing Compares 2 U (geschreven door Prince) betekende de doorbraak, mede dankzij de videoclip (met de beroemde traan). O'Connor stond acht weken lang op nummer 1 in de Nederlandse Top 40 en zeven weken in de Nationale Hitparade. Dit was in 1990 de bestverkochte single van Nederland.
    Ook Amerika viel voor O'Connor; ze won een Grammy Award maar kwam deze niet ophalen. Wel kocht ze een tweede huis in Los Angeles en had ze een kortstondige relatie met Red Hot Chili Peppers-frontman Anthony Kiedis (die daar later verslag van deed in het nummer I Could Have Lied).

    Ondertussen werd er een tweede single uitgebracht, het als een spijtbetuiging klinkende Emperor's New Clothes; dit nummer werd geremixt door Hank Shocklee van Public Enemy.
    In de zomer van 1990 verleende O'Connor haar medewerking aan de opvoering van The Wall van Roger Waters in Berlijn na de val van de Berlijnse Muur. Voor Red Hot & Blue, het aids-bewustzijnsalbum vol covers van Cole Porter nam ze You Do Something To Me op. Eind 1991 werd haar versie van Elton John's Sacrifice uitgebracht op Two Rooms (Celebrating The Songs Of Elton John & Bernie Taupin).

    Am I Not Your Girl?

    Speciaal voor haar zus en haar zesjarige zoon Jake keerde O'Connor in 1992 terug naar Dublin. Ze bracht een album uit (Am I Not Your Girl ?) in het verlengde van You Do Something To Me waarop ze nummers uit jaar jeugd coverde. Success Has Made A Failure Of Our Home was de eerste single en het feitelijke titelnummer, maar ook aan haar eigen succes leek een eind gekomen.

    O'Connor verscheen op 3 oktober 1992 in de Amerikaanse televisieshow Saturday Night Live (na dit eerder te hebben geweigerd vanwege de vrouwonvriendelijke uitspraken van Andrew Dice Clay) en citeerde Bob Marley's War alvorens een foto van de paus ("de echte vijand") te verscheuren. Dit namen de Amerikanen haar niet in dank af en twee weken later tijdens het concert ter gelegenheid van Bob Dylan's 30-jarig jubileum werd ze door het publiek uitgefloten en toegejuicht. Ze zou een nummer ter ere van Bob Dylan doen, maar het publiek was te luidruchtig. Na twee pogingen begon ze uit protest Bob Marley's War te zingen dat ze twee weken daarvoor bij de Amerikaanse televisieshow Saturday Night Live ook gezongen had.

    Het succes loopt terug

    O'Connor trok zich na dit incident terug en bij wijze van therapie ging ze belcanto studeren. In 1993 nam ze een nummer op voor de soundtrack van de film In The Name Of The Father; het door Bono medegeschreven You Made Me The Thief Of Your Heart.
    Dit was een voorproefje van het in 1994 uitgebrachte Universal Mother. In oktober van dat jaar kwam een langharige O'Connor naar Nederland voor o.a. de platen-tiendaagse.

    Haar deelname aan de Lollapalooza-tournee van 1995 moest ze door zwangerschap afbreken; ze werd vervangen door de Britpopformatie Elastica.

    Eind jaren 90 werd ze door Michael Cox, een Ierse bisschop binnen de Orthodox Catholic and Apostolic Church (een katholiek kerkgenootschap dat los staat van de Rooms-katholieke Kerk) tot priester gewijd. Omdat de wijding van vrouwen in strijd is met de leer van de Rooms-katholieke Kerk, waarvan O'Connor lid was, werd ze om die reden door de Rooms-katholieke Kerk geëxcommuniceerd. Cox benoemde haar tot priester omdat O'Connor ooit in een interview had gezegd dat ze het liefst priester was geworden als ze niet was gaan zingen. Als priester wilde ze Mother Mary Bernadette genoemd worden.

    In 2003 kondigde ze aan de muziek te verlaten om zich te gaan wijden aan het overbrengen van het geloof aan jonge kinderen.

    Throw Down Your Arms

    Op 3 oktober 2005 verscheen Throw Down Your Arms, een dubbel-cd met klassieke reggaenummers, waarbij de eerste cd de composities bevat zoals ze door de oorspronkelijke artiesten zijn geschreven, en de tweede cd "dub" versies bevat met de persoonlijke interpretatie van O'Connor.

    Throw Down Your Arms besluit met het nummer War van Bob Marley, gebaseerd op de toespraak die Haile Selassie op 4 oktober 1963 voor de Verenigde Naties hield. Aangezien cd's in de Verenigde Staten altijd op dinsdag verschijnen, werd de cd exact 42 jaar na dato uitgebracht. Tevens valt de datum van verschijning samen met Rosj Hasjana in 2005, het traditionele begin van het nieuwe Joodse jaar.
    De tweede cd - met de meer persoonlijke versies - wordt ingeleid met Micha 4:1-5 over "Het koningschap van de Heer", waarbij O'Connor de laatste zin heeft veranderd in "All the peoples walk each in the name of their Gods" ("Laat alle volken hun eigen goden volgen").

    In 2007 liet O'Connor in een aflevering van de Oprah Winfrey Show weten dat ze vier jaar eerder de diagnose bipolaire stoornis had gekregen en zelfmoordneigingen had gehad.

    In 2008 trad O'Connor op tijdens de jaarlijkse Night Of The Proms. Voor het eerst sinds 1990 zong ze haar eerste single Troy.

    In 2010 zong ze een duet met Mary J Blige.

    How About I Be Me ?

    In februari 2012 bracht O'Connor het album How About I Be Me (And You Be You) ? uit. Ivo Niehe zocht haar op voor een interview in De TV Show Op Reis. Een uitgebreide tournee stond op stapel maar moest al in april worden afgebroken. Een half jaar later begon O'Connor weer met optreden.

    In 2014 verscheen I'm not bossy, I'm the boss en werd het management overgenomen door de Nederlandse artiestenmanager Björn de Water en Simon Napier-Bell

    Externe link

    Deze tekst is beschikbaar volgens "Creatieve Commons Attribution/Share Alike Licentie". Extra voorwaarden kunnen van toepassing zijn. Bekijk hiervoor de Creative Commons website voor details. Auteur van de tekst hierboven.